Eindelijk ruimte voor familiescholen
Motie bij de nieuwe wet onderwijshuisvesting: hoe schoolgebouwen kunnen bijdragen aan kansen van kinderen
Op woensdagochtend druppelen de eerste ouders binnen voor de koffieochtend. Een moeder vraagt of iemand haar kan helpen met een brief van de gemeente. Even verderop werkt een logopedist met een aantal peuters, zodat die straks beter mee kunnen doen in de eerste groep van de basisschool. De brugfunctionaris heeft een gesprek met een gezin waar de zorgen zich thuis opstapelen.
Ondertussen wacht in de personeelskamer de schooltandarts op de eerste kinderen voor de halfjaarlijkse controle. Ze heeft stroom nodig. Een waterpunt. Een afgesloten ruimte. Bijna alle kinderen hier maken gebruik van de schooltandarts. Daarom zijn de koffiemachine en de vergadertafel van het onderwijspersoneel de komende twee weken naar de hal verhuisd.
Na schooltijd worden de materialen voor de theaterles tevoorschijn gehaald uit het kantoor van de directeur en stromen kinderen binnen in het klaslokaal van groep 8, waar de stoelen en tafels aan de kant zijn gezet. De leerkracht van die klas, die zich aan het voorbereiden was op de volgende lesdag, is voor de zekerheid maar in de schoolbibliotheek gaan zitten en hoopt dat alles straks weer netjes op z’n plek is teruggezet.
Voor iedereen die dagelijks in en rond scholen werkt, zijn dit herkenbare beelden. Voor al deze functies is in de meeste schoolgebouwen niet of nauwelijks ruimte. Scholen worden er simpelweg niet op gebouwd. Letterlijk, want vierkante meters en normbekostiging worden gebaseerd op prognoses van leerlingaantallen. Het is bedoeld voor de primaire onderwijsfunctie. Maar daar komt, eindelijk, beweging in.
Een motie van Kamerleden Marjolein Moorman en Diederik Boomsma, deze week in de behandeling van de Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting, benoemt expliciet dat functies zoals zorg, maatschappelijke ondersteuning, brede talentontwikkeling en maatschappelijke partners binnen bijvoorbeeld familieschoolconcepten en inclusief onderwijs in de knel kunnen komen door de manier waarop we schoolgebouwen ontwerpen, financieren en plannen. De regering wordt gevraagd te stimuleren dat gemeenten in hun integrale huisvestingsplannen ruimte bieden aan dit soort functies.
Het lijkt misschien een technische toevoeging aan een huisvestingswet. Maar voor veel scholen, gemeenten en maatschappelijke organisaties kan dit een belangrijke steun zijn bij een knelpunt dat zij in de praktijk al jaren ervaren.
Hebben scholen niets beters te doen?
Nee. Het zijn logische vindplaatsen. Voor de kinderen en gezinnen waar we het voor doen, zij die onze aandacht extra nodig hebben, is de school vaak een van de weinige vertrouwde plekken. Kinderen komen er elke dag en de meeste ouders ook. Die band, die relatie, maakt een wezenlijk verschil tussen het aanvaarden van hulp, samen kunnen werken aan een betere situatie en daarmee betere ontwikkeling voor het kind. Moeten scholen dit dan allemaal zélf doen? Nee, meestal helpt het zelfs juist de leraar heel erg om maatschappelijke vraagstukken te kunnen delen of overdragen aan een collega met gerichte expertise. Maar dan moet die wél dichtbij zijn. En precies daar knelt het.
Want wat kinderen, ouders en scholen nodig hebben, past niet altijd in het gebouw
In 2015 werd ik schoolleider in de Wildemanbuurt in Amsterdam – Osdorp. In 2018 ontstond daar de eerste Amsterdamse Familieschool. In dezelfde periode werkten we aan de nieuwbouw van de school. Veel gesprekken gingen over het nieuwe gebouw, maar hadden eigenlijk weinig met stenen te maken. Ze gingen over kinderen. Over gezinnen. Over de vraag hoe je ondersteuning, ontmoeting, ontwikkeling en samenwerking zo organiseert dat ze daadwerkelijk dichtbij kinderen komen.
- Waar ontvangt een maatschappelijk werker ouders?
- Waar voert een brugfunctionaris een vertrouwelijk gesprek?
- Waar kan een jeugdprofessional werken?
- Waar vinden taalactiviteiten of ouderbijeenkomsten plaats?
- Waar kunnen cultuurpartners of sportaanbieders terecht?
- Waar sla je materialen op?
- En waar kan de schooltandarts de komende weken haar werk doen?
Voor vrijwel al die functies moest worden gevochten. Ik pleitte ervoor om het naastgelegen voormalige schoolgebouw hiervoor te benutten, maar kreeg daar aanvankelijk de handen niet voor op elkaar. Niet omdat mensen het belang ervan niet zagen. Integendeel. Iedereen begreep waarom die voorzieningen nodig waren. Het probleem was dat ze buiten de traditionele definitie van onderwijs vielen. En wat buiten de normering valt, krijgt vaak ook geen vanzelfsprekende plek in het gebouw. Er is geen geld voor en het brengt risico’s met zich mee.
Jaren later kwam er alsnog een maatschappelijke plint. En om de hoek kreeg ons oude schoolgebouw een nieuwe bestemming met jongerenwerk, maatschappelijke dienstverlening en uiteenlopende buurtvoorzieningen. Zo ontstond alsnog het kloppende hart van de wijk waarvoor jarenlang was gepleit. Maar het kostte mij en mijn opvolgers veel tijd, veel energie en vooral veel overtuigingskracht. En we zijn niet de enigen.
Overal hetzelfde vraagstuk
In mijn huidige advieswerk heb ik tientallen scholen bezocht. Sommige oud, andere net gebouwd. Wat me opvalt, is hoe traditioneel veel schoolgebouwen nog steeds worden opgezet, terwijl de maatschappelijke opdracht inmiddels veel groter is geworden.
Scholen werken samen met kinderopvang, welzijnsorganisaties, jeugdhulp, sportverenigingen, cultuurpartners en bewonersinitiatieven. Ze organiseren ouderkamers, spreekuren, talentprogramma’s en activiteiten voor kinderen en gezinnen. Maar de fysieke ruimte om dat goed te organiseren ontbreekt vaak.
Ik zie precies hetzelfde terug op verschillende plekken in Nederland waar ik kom. In Hoogeveen. In Den Helder. In Roosendaal. In Haarlem. In Amsterdam. En tal van andere plaatsen waar scholen, gemeenten en maatschappelijke partners zoeken naar nieuwe vormen van samenwerking. Zelfs in gebouwen die al Integraal Kindcentrum heten.
De integrale ambitie staat vaak helder op papier. Het bordje hangt al aan de muur. Maar in het gebouw zie je dat partners moeten improviseren. Een spreekkamer die eigenlijk opslagruimte is. Een ouderkamer die tegelijk vergaderlocatie, instructieruimte en werkplek moet zijn. Een jeugdprofessional die voortdurend op zoek is naar een beschikbare ruimte. Dat komt doordat de maatschappelijke functie van scholen veel sneller is gegroeid dan de gebouwen waarin dat werk moet plaatsvinden.
De school als hart van de pedagogische infrastructuur
Daarmee zijn we er nog niet. Want wie denkt dat dit vraagstuk uitsluitend over gebouwen gaat, onderschat de opgave. Sommige van de mooiste multifunctionele accommodaties die ik heb bezocht functioneren nauwelijks als gemeenschap. En andersom heb ik relatief eenvoudige gebouwen gezien waar samenwerking bijna vanzelfsprekend tot stand kwam.
Het verschil zit zelden alleen in de stenen. Tussen gebouw en gebruik zit een wereld van verschil. Een multifunctionele accommodatie is geen bedrijfsverzamelgebouw. Het is een plek waar verschillende organisaties samen bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen. Dat vraagt om meer dan roosters, huurcontracten en facilitair beheer. Het vraagt om mensen die het grotere geheel zien. Die begrijpen waarom een oudergesprek soms niet kan wachten op de reservering in een systeem. Die inzien waarom een ruimte tijdelijk anders gebruikt moet worden. Die verbinding leggen tussen organisaties, agenda’s, behoeften en maatschappelijke doelen.
In de praktijk zie ik dat dit nog vaak onvoldoende is georganiseerd. Er is een stichtingsbestuur op afstand. Iemand is verantwoordelijk voor beheer en exploitatie. Er zijn afspraken over budgetten, onderhoud en schoonmaak. Maar niemand voelt zich werkelijk verantwoordelijk voor de samenwerking als geheel.
En juist daar gaat het vaak mis. De ontwikkeling van kinderen vraagt niet alleen om ruimte, maar ook om verbinding en actief onderhoud. Niet alleen van het gebouw, maar vooral van de relaties.
Een uitnodiging om opnieuw te ontwerpen
De nieuwe Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting verplicht gemeenten om integrale huisvestingsplannen op te stellen. De motie-Moorman/Boomsma geeft daarbij een belangrijke richting mee: kijk verder dan de onderwijsfunctie alleen en creëer ruimte voor voorzieningen die bijdragen aan inclusie, ondersteuning, talentontwikkeling en familieschoolconcepten. Dat biedt kansen. Niet alleen om gebouwen anders te ontwerpen, maar ook om opnieuw na te denken over een pedagogische infrastructuur rond kinderen en de samenwerkingen die daarvoor nodig zijn.
Stel dat we echt vertrekken vanuit de ontwikkeling van het kind:
- Welke partners horen daar dan bij?
- Welke voorzieningen willen we dichtbij organiseren?
- Hoe ontvangen we ouders?
- Welke ontmoetingen willen we mogelijk maken?
- Hoe richten we gebouwen dan in?
- Hoe organiseren we beheer effectmatig?
- Wie voelt zich verantwoordelijk voor het geheel?
- En hoe zorgen we ervoor dat samenwerking niet afhankelijk blijft van toevallige pioniers die bereid zijn voortdurend tegen de stroom in te zwemmen?
Hiermee aan de slag?
Bij B&T begeleiden we scholen, gemeenten, kinderopvangorganisaties en maatschappelijke partners bij dit soort vraagstukken. We helpen bij de ontwikkeling van visie en beleid, bij de vormgeving van de pedagogische infrastructuur rondom kinderen en bij de vertaling naar integrale huisvestingsplannen, samenwerking, beheer en gebruik van gebouwen.
De ambitie is meestal niet het probleem. De uitdaging zit in de vertaling naar de praktijk. Juist daar kan deze motie het verschil gaan maken. Niet omdat zij extra vierkante meters oplevert, maar omdat zij ruimte creëert voor een gesprek waarin niet het gebouw het vertrekpunt is, maar de ontwikkeling van kinderen. En waarin de vraag centraal staat hoe wij onze gebouwen, organisaties en systemen zo kunnen inrichten dat zij die ontwikkeling optimaal ondersteunen.
Wil je hiermee aan de slag? Neem dan contact met mij op.