Structurele bekostiging brugfunctionaris, schoolmaaltijden en verrijkte schooldag vanaf 2029; Een grote stap naar een sterke pedagogische infrastructuur.

Een artikel over de belangrijkste aspecten van het wetsvoorstel ‘GLO’, kritische kanttekeningen en aanbevelingen voor wie ermee aan de slag wil. 

De voorgenomen structurele bekostiging van schoolmaaltijden, brugfunctionarissen en verrijkte schooldagen vanaf 2029 is goed nieuws. Niet alleen omdat er hierdoor meer financiële zekerheid en duidelijkheid ontstaat. Maar vooral omdat dit wetsvoorstel (aanvullende bekostiging gelijke leer- en ontwikkelomgeving, kortweg ‘GLO’) een opmaat kan zijn naar één pedagogische infrastructuur, waarin kansen op een goede ontwikkeling gelijk zijn. ‘Kan zijn’, want de vraag rijst hoe en vanuit welk perspectief de wet wordt uitgewerkt en hoe de praktijk ermee omgaat.

Van losse interventies naar een sterke pedagogische infrastructuur

De échte verandering zou kunnen zitten in de ego-loze samenwerking rond de ontwikkeling van het kind. Er zijn sterke lokale coalities nodig van partners die betrokken zijn bij de ontwikkeling van het kind. Inclusief het kind en de ouders dus, de sportleraar, een buurvrouw, familielid, ondernemer in de wijk, enzovoort. It takes a whole village to raise a child, toch? Dat is de potentie van deze ontwikkeling. Maar we weten inmiddels ook goed wat hierbij komt kijken. En dat is niet zo eenvoudig gebleken.

Op dit moment ligt het wetsvoorstel ter internetconsultatie. De genoemde tijdelijke regelingen worden daarin omgezet naar een structurele vorm van aanvullende bekostiging. Daarnaast worden de kaders voor o.a. voorschoolse educatie aangescherpt, onder de noemer ‘verduidelijking van het onderwijsachterstandenbeleid (OAB)’.

Het zijn belangrijke stappen. De afgelopen jaren hebben veel (familie-)scholen, gemeenten en maatschappelijke partners de enorme betekenis van deze regelingen ervaren, voor gezinnen en kinderen. Tegelijkertijd ging veel energie, tijd en inzet verloren aan tijdelijke subsidierondes, onzekerheid over voortzetting en steeds nieuwe aanvragen. Structurele bekostiging brengt rust, ontwikkelruimte en continuïteit. 

De drie interventies worden beschreven als afzonderlijke instrumenten, terwijl hun kracht juist in de samenhang zit. Een schoolmaaltijd, brugfunctionaris of verrijkte schooldag is op zichzelf waardevol, maar leveren zelden duurzame verandering op. Die ontstaat wanneer zij onderdeel worden van een bredere aanpak rond kinderen, gezinnen en hun leefomgeving. Waar een maaltijd niet alleen voeding biedt, maar ook signalen zichtbaar maakt. Waar een brugfunctionaris niet alleen verwijst, maar relaties opbouwt. Waar een verrijkte schooldag niet alleen activiteiten organiseert, maar een hele nieuwe wereld opent voor kinderen. Daarmee raakt dit wetsvoorstel aan een veel grotere potentiële ontwikkeling: de opbouw van een pedagogische infrastructuur rond kinderen en jongeren. 

De ontwikkeling van kinderen vraagt om een nieuw narratief

Interessant is daarbij het perspectief dat onder de wet ligt. De memorie van toelichting redeneert vooral vanuit onderwijsresultaten. Betere omstandigheden moeten leiden tot betere prestaties op school. Dat klinkt logisch, maar bevat ook een fundamentele keuze. Kijk je naar onderwijsresultaten als doel op zich, of als effect van goed opgroeien doordat de juiste voorwaarden aanwezig zijn? Dat verschil lijkt klein, maar heeft grote gevolgen voor de uitvoering.

Wanneer onderwijsresultaten het primaire doel worden, ontstaat het risico dat alle inspanningen uiteindelijk vanuit een onderwijslogica worden georganiseerd. Wanneer ontwikkeling van kinderen centraal staat, wordt het perspectief automatisch breder. Dan gaat het ook over gezondheid, welzijn, sociale relaties, bestaanszekerheid, talentontwikkeling, cultuur, sport, opvoeding en participatie. Onderwijs blijft daarin cruciaal, maar is niet langer de enige bril waardoor naar de opgave wordt gekeken.

Daar zit een belangrijke spanning in het voorstel. Het wetsvoorstel belegt de middelen namelijk bij schoolbesturen. Daar zijn goede argumenten voor. Tegelijkertijd vraagt een pedagogische infrastructuur om samenwerking tussen onderwijs, kinderopvang, gemeenten, welzijn, zorg, sport, cultuur, ouders en jongeren. Bekostiging kun je sturen. Maar samenwerking en mede-eigenaarschap zijn nauwelijks afdwingbaar. Dat is misschien wel het grootste risico van de wet. Er bestaan nu eenmaal grote verschillen in rolopvatting en organisatiebelangen. 

Wanneer de opgave vooral via het onderwijs wordt benaderd, bestaat de kans dat middelen geleidelijk worden ingezet voor vraagstukken binnen het onderwijs zelf. Dat is begrijpelijk en verdedigbaar. Scholen hebben hun eigen uitdagingen en verantwoordelijkheden. Maar de (maatschappelijke) ontwikkelopgave van kinderen is groter dan onderwijs alleen. Als de wet dááraan wil bijdragen, vraagt dat om bewuste keuzes in de lokale uitvoering en om partners die zich mede-eigenaar voelen van de gezamenlijke, grotere opgave. Dat vraagt óók om sterke relaties en een nieuw narratief

De lokale uitvoering wordt op meerdere onderdelen bepalend. Neem de aanscherping van de doelgroep voor voorschoolse educatie. Meer duidelijkheid kan helpen. Maar een scherpere afbakening van ‘doelgroepkinderen, kan juist nieuwe vormen van segregatie veroorzaken. Ook hier is alertheid nodig. Hetzelfde geldt voor de voorgestelde streefdoelen voor voorschoolse educatie. Wanneer resultaten op groepsniveau worden gemeten, kunnen nieuwe strategische afwegingen ontstaan rond groepssamenstelling en toelatingsbeleid. De vraag is niet alleen of een maatregel in theorie kan werken, maar ook welke gedragseffecten zij oproept. 

Opvallend is bovendien dat ouders en kinderen zelf nauwelijks zichtbaar zijn in de wet. Gemeenten, schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en andere partners krijgen allemaal een positie in het stelsel. Ouders en jongeren verschijnen vooral als doelgroep. Dat voelt vreemd voor een voorstel dat draait om ontwikkeling. Een sterke pedagogische infrastructuur ontstaat niet doordat professionals afspraken maken over kinderen. Zij ontstaat wanneer kinderen, jongeren en ouders daadwerkelijk mede vorm geven aan hún ontwikkeling. 

Ook de fysieke kant van het verhaal krijgt weinig aandacht. Verrijkte schooldagen vragen ruimte. Ontmoeting met ouders vraagt ruimte. Begeleiding vraagt ruimte. De wet financiert activiteiten, maar niet automatisch de infrastructuur die daarvoor nodig is. Daarmee raakt dit voorstel ook direct aan vraagstukken rond huisvesting en voorzieningen in wijken, waarover we eerder dit artikel schreven.

Een nieuwe manier van samenwerken aan gelijke leer- en ontwikkelvoorwaarden

Uiteindelijk ontstaat daardoor een interessante conclusie. De grootste uitdaging van deze wet is waarschijnlijk niet financieel of juridisch, maar organisatorisch. Zij vraagt van gemeenten, schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en maatschappelijke partners een manier van samenwerken die lang niet overal vanzelfsprekend is. De wet kan dat niet voorschrijven. Lokale partijen zullen het samen moeten vormgeven. 

Deze vraagstukken, die ook achter dit wetsvoorstel schuilgaan, herkennen wij uit onze vele ervaringen in onze begeleiding van familiescholen, samenwerkingsverbanden, onderwijsregio’s, rijke schooldagen, wijkgerichte samenwerking, onderwijsachterstandenbeleid, landelijke en gemeentelijke ontwikkelprogramma’s en integrale jeugd- en onderwijsaanpakken. We zien hoe ingewikkeld het soms is om verschillende werelden met elkaar te verbinden. Veel sectoren hebben een eigen taal en cultuur ontwikkeld, vaak als gevolg van de wijze waarop er op hun output en outcome gestuurd is. En we zien tegelijkertijd hoeveel er mogelijk wordt voor gezinnen en kinderen, wanneer hún ontwikkeling onze belangrijkste ‘baas’ is. ‘It takes all our children, to raise the village’. 

Daarom ondersteunen wij scholen, schoolbesturen, gemeenten, kinderopvangorganisaties, ministeries, samenwerkingsverbanden, onderwijsregio’s en maatschappelijke partners bij deze opgaven. Van visieontwikkeling tot uitvoering. Van governance tot pedagogische kwaliteit. Van samenwerking tussen organisaties tot leiderschap binnen teams. Van boardroom tot classroom

Wij zijn positief over de richting die met dit wetsvoorstel wordt ingezet en de ruimte die ontstaat. Van losse interventies naar een samenhangende omgeving waarin kinderen zich optimaal kunnen ontwikkelen. 

De internetconsultatie loopt nog tot en met 11 september. Voor iedereen die betrokken is bij de ontwikkeling van kinderen en jongeren is dit een goed moment om mee te denken over de voorwaarden die daarvoor nodig zijn. 

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.