AI op de toezichtagenda: risico en richting

Als toezichthouder weet je hoe je een bestuur bevraagt op financiële soliditeit, onderwijskwaliteit of huisvesting. Er zijn kaders, indicatoren en een gedeelde taal. Bij AI ontbreekt dat. Niet omdat het onderwerp nieuw is, maar omdat het zich lastig laat vangen in de bestaande toezichtcyclus. Het past niet netjes in één commissie, het raakt alles tegelijk, en de juridische kaders lopen achter op wat er in de praktijk al gebeurt.

Dat maakt het verleidelijk om af te wachten. Maar afwachten is ook toezicht: het is de impliciete beslissing dat dit onderwerp nog niet urgent genoeg is. 

De risicovraag 

Op veel scholen wordt AI al ingezet, vaak zonder dat er een expliciet bestuursbesluit aan vooraf is gegaan. Adaptieve leersoftware die leerlingen classificeert. Docenten die generatieve AI gebruiken voor rapportages. Cloudleveranciers die data verwerken onder voorwaarden die niemand heeft getoetst. 

De toezichtvraag hier is niet technisch. Die is klassiek: is er een beleidskader? Heeft het bestuur een risico-inventarisatie gemaakt? Is er nagedacht over datasoevereiniteit, over de positie van minderjarigen, over wat er gebeurt als een systeem iets doet wat niemand kan uitleggen? En vooral: wie is er verantwoordelijk als het misgaat? 

Daarbij komt de vraag naar leveranciersafhankelijkheid. Scholen zijn voor hun digitale infrastructuur afhankelijk van een beperkt aantal grote partijen. Wat als een leverancier stopt, de voorwaarden wijzigt of de data niet overdraagbaar blijkt? Een bestuur dient hierover afspraken te maken. De raad mag vragen of er een exit-strategie is. 

En dan is er nog de medezeggenschap. AI-beleid raakt aan de positie van medewerkers, de inrichting van het onderwijs en de privacy van leerlingen. Dat zijn bij uitstek onderwerpen waarop de MR instemmings- of adviesrecht heeft. De toezichtvraag: is de medezeggenschap betrokken bij AI-keuzes? Zo niet, dan ontbreekt er een stuk legitimiteit. 

De EU AI Act en de AVG bieden vangrails, maar geen kompas. Op de ethische vragen geeft de wet nog geen antwoord. Mag je een algoritme inzetten dat schooluitval voorspelt op basis van risicoprofielen? De data is er, de intentie is goed, maar je labelt studenten. Die afweging moet ergens worden gemaakt. En als het bestuur die niet maakt, is het aan de raad om te vragen waarom niet. 

De missievraag

De meeste toezichthouders die aan AI denken, denken aan risico’s. Dat is de getrainde reflex, en die is waardevol. Maar er is een tweede vraag die minder vaak wordt gesteld. 

Scholen hebben een maatschappelijke opdracht: leerlingen en studenten voorbereiden op de wereld die komt. Als AI de arbeidsmarkt, de informatievoorziening en de manier waarop kennis wordt geproduceerd, ingrijpend verandert, dan heeft dat consequenties voor wat je onderwijst en hoe. Een bestuur dat hier geen visie op ontwikkelt, maakt ook een keuze. 

De toezichtvraag is dan niet “gaat het bestuur te snel?” maar “gaat het bestuur snel genoeg?”. Investeert de organisatie in de geletterdheid van docenten? Is er ruimte om te experimenteren? Past het curriculum bij de wereld waar studenten in terechtkomen? 

De raad die alleen op risico’s let, mist de relevantievraag. De raad die alleen op innovatie stuurt, mist de zorgvuldigheidsvraag. Het is precies die spanning waar goed toezicht in zit.

Weten of het werkt 

Er is nog een derde vraag die aandacht verdient: levert AI daadwerkelijk iets op voor het onderwijs? Veel organisaties voeren AI-toepassingen in zonder vooraf te bepalen hoe ze het effect gaan meten. Verbetert de adaptieve software de resultaten? Vermindert het de werkdruk of verschuift het die alleen? Wat merken leerlingen en studenten ervan? 

Dit is bij uitstek toezichtterrein. De raad hoeft niet zelf de evaluatie te doen, maar mag wel vragen of die er is en of het bestuur bereid is om te stoppen met iets dat niet werkt. 

Rolzuiverheid onder druk 

Wat dit onderwerp extra complex maakt: de neiging om als raad mee te gaan besturen is groot. AI voelt onbekend, er staat veel op het spel en het bestuur heeft misschien ook niet alle antwoorden. Maar de rol blijft dezelfde. De raad stelt de vragen, verlangt een visie, toetst of er kaders zijn en bewaakt dat het tempo past bij de zorgvuldigheid. 

Dat vraagt wel iets: voldoende begrip om de juiste vragen te stellen en om informatie van het bestuur op waarde te schatten. 

Training: AI en toezicht in het onderwijs 

Op woensdag 24 juni 2026 organiseert B&T een training voor toezichthouders in het funderend onderwijs en MBO. In één middag en avond (15.00-21.00 uur, inclusief diner) werken we aan de vragen, de kaders en het handelingsperspectief om als raad grip te krijgen op AI. Met ethische dilemma’s uit de praktijk, concrete casuïstiek en ruimte voor de bestuurlijke dialoog. 

Veelgestelde vragen over AI op de toezichtagenda

Waarom hoort AI op de toezichtagenda in het onderwijs?

AI raakt aan veel toezichtthema’s tegelijk: onderwijskwaliteit, privacy, datasoevereiniteit, leveranciersafhankelijkheid, medezeggenschap en de maatschappelijke opdracht van de school of MBO-instelling. Omdat AI zich niet vanzelf laat vangen in één commissie of bestaande toezichtcyclus, is het belangrijk dat de raad van toezicht hier expliciet aandacht aan geeft.

Welke risico’s rond AI moet een raad van toezicht bespreken met het bestuur?

De raad kan vragen of er een AI-beleidskader is, of risico’s zijn geïnventariseerd en wie verantwoordelijk is als een systeem iets doet wat niemand kan uitleggen. Ook datasoevereiniteit, de positie van minderjarigen, privacy, leveranciersafhankelijkheid en een mogelijke exit-strategie horen bij het gesprek.

Welke rol hebben de EU AI Act en de AVG bij AI in het onderwijs?

De EU AI Act en de AVG bieden juridische vangrails voor AI-gebruik en gegevensverwerking, maar geven geen volledig antwoord op bestuurlijke en ethische vragen. Daarom blijft het belangrijk dat bestuur en toezicht zelf afwegen welke AI-toepassingen wenselijk, verantwoord en uitlegbaar zijn.

Waarom gaat toezicht op AI niet alleen over risico’s?

AI gaat niet alleen over beheersing, maar ook over de maatschappelijke opdracht van het onderwijs. Als AI de arbeidsmarkt, informatievoorziening en kennisproductie verandert, moeten scholen en MBO-instellingen nadenken over wat dat betekent voor onderwijs, curriculum en de AI-geletterdheid van medewerkers, leerlingen en studenten.

Hoe kan een raad van toezicht beoordelen of AI iets oplevert?

De raad hoeft de evaluatie niet zelf uit te voeren, maar mag wel vragen of vooraf is bepaald hoe het effect van AI wordt gemeten. Levert adaptieve software betere resultaten op? Vermindert AI de werkdruk of verschuift die alleen? En wat merken leerlingen, studenten en medewerkers ervan? Ook moet duidelijk zijn of het bestuur bereid is te stoppen met toepassingen die niet werken.

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.