Geen trendbreuk, wel een opdracht: de belangrijkste lessen uit De Staat van het Onderwijs 2026
Onderwijskwaliteit: van lerarenvraagstuk naar sturingsvraagstuk
De Staat van het Onderwijs 2026 laat zien dat structurele verbetering in het onderwijs uitblijft. Vooral in het voortgezet onderwijs en mbo staan basisvaardigheden, kwaliteitszorg en leiderschap onder druk. Voor schoolbesturen, schoolleiders en mbo-instellingen ligt de opdracht daarom niet alleen in uitvoering, maar vooral in scherpere sturing op onderwijskwaliteit.
De Inspectie van het Onderwijs schetst in De Staat van het Onderwijs 2026 een helder beeld. In 2026 zien we geen duidelijke trendbreuk; structurele verbeteringen blijven echter beperkt en verlopen traag. Vooral de kwaliteit van het voortgezet onderwijs en mbo staat onder druk. Tegelijkertijd wordt duidelijk waar de belangrijkste aanknopingspunten liggen voor duurzame versterking.
Wat zijn de belangrijkste inzichten en wat betekenen ze voor schoolbesturen, schoolleiders en mbo-instellingen?
Wat valt het meest op?
De verbetering van basisvaardigheden blijft een zorgenkindje. In het primair onderwijs zijn taal en rekenen grotendeels hersteld tot het niveau van vóór corona. Tegelijkertijd vraagt burgerschap op veel scholen nog om een doelgerichter en samenhangender aanbod. Daarmee blijft een belangrijk onderdeel van brede vorming achter.
Tegelijk groeit het gespecialiseerd onderwijs en neemt de capaciteitsdruk daar toe. Hoewel de kwaliteit op veel scholen goed lijkt, is het zicht op resultaten nog beperkt. Dat maakt het moeilijk om gericht te sturen en belemmert verdere kwaliteitsontwikkeling.
In het voortgezet onderwijs stapelen de zorgen zich op. Leerlingen blijven achter in leesvaardigheid, woordenschat en rekenen, terwijl bij een substantieel deel van de scholen de kwaliteitszorg onvoldoende op orde is. Bij steekproefonderzoek krijgt ongeveer een derde van de afdelingen op ten minste één van de standaarden een onvoldoende oordeel. Concreet gaat het om 20% op visie, ambitie en doelen (SKA1), 25% op uitvoering en kwaliteitscultuur (SKA2) en zelfs 32% op evaluatie, verantwoording en dialoog (SKA3). Dat betekent dat scholen vaak onvoldoende zicht hebben op hun eigen kwaliteit en moeite hebben om planmatig te verbeteren.
De druk wordt extra zichtbaar in de havo, waar het aandeel afdelingen met onvoldoende resultaten sterk is gestegen, van 4% naar 21%. Dit wijst op toenemende spanning in doorstroom en onderwijskwaliteit.
Ook in het mbo nemen de zorgen toe. De resultaten voor Nederlands dalen en een aanzienlijke groep mbo-2-studenten haalt het vereiste taalniveau niet. Daarmee komt de aansluiting op vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt onder druk te staan.
Daarnaast wordt regionale ongelijkheid concreter. In sommige regio’s blijft een aanzienlijk deel van de leerlingen onder hun potentieel presteren doordat schooladviezen minder vaak naar boven worden bijgesteld. Kansengelijkheid blijkt daarmee niet alleen een sociaal, maar ook een geografisch vraagstuk en onderstreept hoe bepalend het is hoe onderwijs en ondersteuning lokaal zijn georganiseerd.
Wat is er veranderd ten opzichte van 2025?
Van een trendbreuk is geen sprake. In het primair onderwijs is er lichte vooruitgang: het aandeel voldoende scholen stijgt van 83% naar 85%. In het voortgezet onderwijs is juist een daling zichtbaar, van 80% naar 77%. De zorgen om de onderwijskwaliteit in het vo worden scherper zichtbaar in de onderwijsresultaten en in de beoordeling van de kwaliteit.
De groei van het gespecialiseerd onderwijs in het afgelopen jaar lijkt in tegenspraak met de inclusiebeweging, die ook gaande is. Er wordt meer samengewerkt tussen regulier en speciaal onderwijs, maar de uitvoering hiervan is nog gefragmenteerd.
Waar moet nu aan gewerkt worden?
De prioriteiten zijn helder en consistent. Allereerst blijft versterking van basisvaardigheden noodzakelijk, met name in het vo en mbo. In het po verschuift de aandacht van herstel naar verdere kwaliteitsverbetering, bijvoorbeeld door een beter afgestemd aanbod en een doelgerichter curriculum.
Een tweede belangrijk aandachtspunt is kwaliteitszorg. Vooral in het voortgezet onderwijs worden kwaliteitszorgstandaarden relatief vaak als onvoldoende beoordeeld en blijkt herstel vaak traag te verlopen. Besturen én scholen worden opgeroepen om samen de onderwijskwaliteit cyclisch en planmatig te bewaken en verbeteren.
Daarmee komt de rol van leiderschap nadrukkelijk in beeld. Schoolleiders zijn cruciaal voor kwaliteitsverbetering, maar komen door werkdruk, personeelstekorten en administratieve lasten onvoldoende toe aan hun onderwijskundige rol. De uitdaging verschuift daarmee deels van eenlerarenvraagstuk naar eensturingsvraagstuk.
Bestuurders worden nadrukkelijk opgeroepen hun verantwoordelijkheid te nemen, door scherp en consistent te sturen op onderwijskwaliteit, door daarin rekening te houden met verschillen tussen scholen en door de eigen organisatie zo in te richten dat schoolleiders zich primair kunnen richten op de onderwijskwaliteit op hun scholen.

Welke conclusies kunnen we trekken?
Integrale oplossingen noodzakelijk
De opgave voor onderwijsorganisaties wordt steeds integraler. Duurzame versterking van onderwijskwaliteit vraagt om samenhang tussen basisvaardigheden, kwaliteitszorg, leiderschap, organisatieontwikkeling en strategisch HRM. Het raakt daarmee de hele organisatie. Losse interventies volstaan niet; het gaat om structurele verbetering.
Juist in die samenhang ligt ook de sleutel tot kansengelijkheid: alleen wanneer kwaliteit, sturing en organisatie op orde zijn, ontstaat voor alle leerlingen een kansrijke leeromgeving. In het boek Kwaliteit in beweging beschrijft B&T adviseur Caroline Offerhaus onze leidende principes voor sterke onderwijskwaliteit en laat ze zien hoe professionals vanuit verschillende rollen samenwerken aan duurzame ontwikkeling. Op zo’n manier dat je kwaliteit niet alleen borgt, maar ook laat groeien, met ruimte voor leren, innoveren en wendbaarheid in een veranderend onderwijslandschap.
B&T ondersteunt onderwijsorganisaties al 38 jaar bij deze opgave, met kennis en ervaring op het snijvlak van onderwijskwaliteit, organisatie en leiderschap.
Scherper sturen op basisvaardigheden
Gerichte sturing begint met inzicht. B&T heeft daarvoor een serie quickscans basisvaardigheden voor het funderend onderwijs ontwikkeld, die snel zichtbaar maakt waar taal, rekenen en burgerschap versterking vragen. (Deze zijn gratis te downloaden via onze website)
Aanvullend voeren we audits, reviews en visitaties uit om scherp in beeld te krijgen waar binnen de organisatie ontwikkeling nodig is. Op basis daarvan volgt gerichte verbetering: heldere doelen, consistente monitoring en begeleiding van teams bij duurzame gedragsverandering. Juist dit is nodig om verschillen tussen leerlingen en regio’s niet verder te laten oplopen.
Tijdelijk leiderschap als versneller
Wanneer onderwijskwaliteit of kwaliteitszorg onder druk staan, of wanneer leiderschap tijdelijk ontbreekt, is snelle versterking noodzakelijk. De inzet van ervaren interim-leidinggevenden of adviseurs brengt rust en richting, terwijl tegelijkertijd wordt gewerkt aan structurele borging. B&T staat daarbij naast leiders in het onderwijs, met als doel om hun handelingsvermogen duurzaam te versterken. Zodat zij na afloop zelfstandig verder kunnen bouwen aan kwaliteitsverbetering.
Organisatieadvies voor duurzame verandering
Veel vraagstukken raken niet alleen de klas, maar ook de inrichting van de organisatie: sturing, rollen, samenwerking en HR-beleid. Effectieve verbetering kan vragen om organisatieadvies dat helpt om systeemveranderingen daadwerkelijk te laten landen in de praktijk. Deze structurele versterking is noodzakelijk om onderwijskwaliteit blijvend te verbeteren en gelijke kansen te realiseren.
Het B&T-effect: samenhang als hefboom
De grootste meerwaarde ontstaat waar deze perspectieven samenkomen. Verbeteren van onderwijskwaliteit gaat hand in hand met het versterken van het bestuurlijk vermogen, het onderwijskundig leiderschap en de kwaliteitscultuur binnen scholen en stichtingen. Onze adviseurs bieden ruimte om tegelijkertijd leiders en teams te ontwikkelen. En waar systeemverandering nodig is, ligt de focus op duurzame verankering in gedrag, structuur en sturing.
Juist in die combinatie van inhoud, leiderschap en organisatiestructuur ontstaat de synergie voor duurzame versterking van onderwijsorganisaties. En creëren we samen met onze opdrachtgevers een kansrijke omgeving voor kinderen en jongeren. Dát is het B&T-effect.
Wat betekent dit voor besturen, schoolleiders en mbo-instellingen?
De boodschap van De Staat van het Onderwijs 2026 is helder: de uitdagingen zijn bekend en vragen om scherpere keuzes en meer samenhang in de aanpak. Geen trendbreuk dus, wel een duidelijke opdracht. Wil je werken aan de versterking van onderwijskwaliteit binnen jouw school? Neem dan contact op met een van onze adviseurs. Zij denken graag met je mee.
Veel gestelde vragen over De Staat van het Onderwijs 2026
De kern is dat de onderwijskwaliteit onder druk staat en dat structurele verbetering te traag verloopt. Vooral in het voortgezet onderwijs en mbo zijn de zorgen groot.
Voor schoolbesturen betekent dit dat zij sterker moeten sturen op onderwijskwaliteit, kwaliteitszorg en de randvoorwaarden waarbinnen schoolleiders hun onderwijskundige rol kunnen vervullen.
Omdat kwaliteitszorg bepaalt of scholen zicht hebben op hun eigen prestaties, gericht kunnen verbeteren en verbeteringen ook duurzaam kunnen borgen.
Vooral leesvaardigheid, woordenschat en rekenen in het voortgezet onderwijs en taalvaardigheid in het mbo vragen nadrukkelijk aandacht.
Omdat de knelpunten niet alleen gaan over uitvoering in de klas, maar ook over bestuurlijke keuzes, leiderschap, monitoring en organisatie-inrichting.
Voor schoolbestuurders, schoolleiders, kwaliteitsmedewerkers, beleidsadviseurs en mbo-managers die werken aan duurzame verbetering van onderwijskwaliteit.