Vertrouwen in het onderwijs

Grip op het regeerakkoord

 -  Hans van Willegen  -  Overig
Regeerakkoord

Een nieuw regeerakkoord vraagt van journalisten en belangenorganisaties om snelle reacties en beschouwingen. De eerste klap is een daalder waard. De eerste reacties op de onderwijsplannen voor de komende kabinetsperiode leren dat de VO-raad teleurgesteld is, dat de PO-Raad de richting van de plannen steunt, maar de stappen te klein vindt en dat de vakbonden vinden dat er veel te weinig wordt geboden om hen te weerhouden van nieuwe, uitgebreidere stakingen voor loonsverhoging voor leraren in het primair onderwijs.

Met dit artikel proberen we grip te krijgen op de plannen voor het funderend onderwijs. Hoe hangen ze samen? Wat is hun betekenis voor het onderwijs? En dragen zij bij aan het leren van leerlingen?

Wie betaalt, bepaalt

De afgelopen jaren probeert de overheid, na jaren van decentralisatie (lumpsumbekostiging en decentralisatie van arbeidsvoorwaardenvorming), stukje bij beetje weer meer invloed te krijgen op scholen en schoolbesturen. Dat kreeg bijvoorbeeld vorm in sectorakkoorden met de sectorraden, die tal van inhoudelijke doelstellingen bevatten, en in een uitbreiding van het inspectietoezicht. Deze ontwikkeling wordt met het nieuwe regeerakkoord voortgezet. Hierin lezen we dat de overheid nog meer centrale sturing wil geven; door middelen geoormerkt te verstrekken, door de onderwijsinspectie meer bevoegdheden te geven en door soms zelfs in de bevoegdheid van sociale partners te treden. Een kleine selectie:

  • Er worden eisen gesteld aan de doelmatige besteding van onderwijsmiddelen en er worden bestuurlijke afspraken (wederom met de sectorraden) gemaakt om te zorgen dat extra middelen conform hun bestemming worden besteed. Hoezo lumpsumbekostiging?
  • De onderwijsinspectie krijgt de discretionaire bevoegdheid om bij de beoordeling van scholen rekening te houden met de aanwezigheid van zorgleerlingen.
  • De overheid bemoeit zich direct met de gang van zaken in de klas door de bepaling dat bij kleuters geen toetsen meer worden afgenomen.
  • Als voorwaarde voor 270 miljoen euro voor het moderniseren van de arbeidsvoorwaarden in het primair onderwijs (lees: salarisverhoging) stelt de regering dat de sociale partners afspraken maken over het afschaffen van de bovenwettelijke aanvullingen op een eventuele WW-uitkering. Misschien een terechte wens, maar daarmee gaat de overheid wel nadrukkelijk aan de decentrale cao-tafel zitten.
  • Ook bij de toekenning van 450 miljoen euro voor de verlaging van de werkdruk in het primair onderwijs worden de bestedingsdoelen alvast benoemd. Kan een zelfbewuste sector zelf niet over een goede en effectieve besteding van deze middelen beslissen?

Al deze maatregelen zullen waarschijnlijk gaan leiden tot een grotere regeldruk en verantwoordingsplicht. Opvallend voor een nieuw kabinet dat zich ook hard maakt voor het verminderen van de regeldruk in sector.

PO-VO-mbo

Bij ingewikkelde vraagstukken helpt het om ze uit elkaar te trekken en per onderdeel op zoek te gaan naar oplossingen. Een nadeel van een dergelijke benadering is dat de wel aanwezige samenhang verloren gaat. Het opvoeden van een kind over een periode van 18 jaar, waarin zo’n kind verschillende stadia van ontwikkeling doormaakt, is ingewikkeld. In Nederland hebben we daarom de opvang en het onderwijs van kinderen van 0 tot 18 jaar opgeknipt in voorschoolse voorzieningen en primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Hierdoor kan het gebeuren dat de voorzitter van de VO-raad teleurgesteld reageert als het geld voor salarisverhoging terechtkomt bij leraren in het primair onderwijs en niet bij zijn ‘eigen’ VO-leraren. Alsof PO en VO in concurrentie zijn.

De afgelopen jaren is echter het besef gegroeid dat onze jeugd gebaat is bij een doorgaande lijn van 0 tot 18 jaar. Zij hebben behoefte aan voorschoolse educatie en doorlopende ontwikkelingslijnen. De horten en stoten die zij zelf in hun ontwikkeling ervaren, moeten niet ook nog eens door het voor hen ingerichte onderwijs worden versterkt. In dit regeerakkoord wordt hieraan veel aandacht besteed. De regeringspartijen laten hiermee zien dat zij oog hebben voor de ontwikkelingen die in het onderwijs plaatsvinden.

  • Er wordt stevig geïnvesteerd in voor-en vroegschoolse educatie.
  • Door ruimte te geven voor 10-14 voorzieningen kunnen scholen werken aan een betere overgang van primair naar voorgezet onderwijs.
  • Scholen met een brede of verlengde brugklas krijgen een steuntje in de rug om te voorkomen dat leerlingen straks alleen nog maar kunnen kiezen voor een categorale brugklas.
  • Scholen mogen gaan experimenteren met maatwerkdiploma’s. De overheid ziet hier vanwege het gewenste civiel effect voor zichzelf een regierol weggelegd en wil deze ontwikkeling dan ook nadrukkelijk volgen en monitoren.
  • De regering wil afspraken maken over de overgang van vmbo naar mbo en de mogelijkheid creëren om mbo op niveau 1 of 2 binnen het vmbo af te ronden. Ook dat levert een doorgaande ontwikkeling voor leerlingen op.
  • Of het invoeren van een maatschappelijke diensttijd een bijdrage gaat leveren aan met name elementen van burgerschapsvorming in de doorgaande ontwikkeling van bepaalde groepen leerlingen moet nog blijken.

Leraar PO: een aantrekkelijk beroep?

Zeker de afgelopen maanden is veel gesproken over het lage salaris van leraren in het primair onderwijs en hun hoge werkdruk. Het is dus niet gek dat er 270 miljoen euro wordt uitgetrokken voor het verhogen van de salarissen en 450 miljoen euro voor het verlagen van de werkdruk. Wat zich dan vervolgens wreekt, is dat dit soort bedragen bij een persconferentie zeer genereus klinkt maar dat dergelijke bedragen, wanneer ze uitgesmeerd worden over alle scholen en leraren, maar een beperkte loonsverhoging opleveren: 270 miljoen euro staat voor 3 procent loonsverhoging.

Klassenverkleining (waar halen we de extra leraren eigenlijk vandaan?), conciërges en onderwijsassistenten lossen niet op dat de gemiddelde leraar niet is toegerust om alle hun toevertrouwde leerlingen datgene te bieden wat ze volgens hen ook verdienen. Er wordt dan gewezen naar passend onderwijs en de extra werkdruk die deze ontwikkeling met zich meebrengt, maar passend onderwijs zorgt hooguit voor 3 procent extra zorgleerlingen (één per klas) in het reguliere onderwijs. Ligt het dan aan de leraren zelf? Zijn zij onvoldoende deskundig, vaardig of gemotiveerd of kan dit probleem helemaal niet worden opgelost binnen het huidige paradigma?

In komende cao-onderhandelingen zullen de vakbonden naar verwachting zo veel mogelijk inzetten op het besteden van beschikbare middelen aan het verhogen van de salarissen en het verlagen van de maximale lessentaak. De werkgevers zullen zo veel mogelijk ruimte claimen om eigen maatwerkkeuzes te maken op hun scholen. Ondertussen blijft echter het lerarentekort bestaan – en daarmee de werkdruk – en zullen ook het ziekteverzuim en de vervangingsproblematiek niet afnemen. Met andere woorden: binnen het huidige paradigma levert extra geld geen passende oplossing voor het verminderen van de werkdruk. Hiervoor is het nodig om fundamenteel anders te kijken naar het organiseren van het leren en ontwikkelen van onze kinderen. Dit zal ook consequenties hebben voor het beroep van leraar. Wie durft de eerste stap te zetten?

Passend onderwijs

Passend onderwijs kwam hiervoor al even ter sprake. Wat enkele jaren geleden werd gepresenteerd als een oplossing, wordt nu in de beeldvorming als een probleem ervaren. De thuiszittersproblematiek is nu wel in beeld maar nog niet opgelost, er is onduidelijkheid over de besteding van middelen en het toezicht op vaak nog niet goed functionerende samenwerkingsverbanden hapert. Deze regering wil er nog niet aan deze ‘stelselherziening’ een mislukking te noemen. Vooralsnog wordt gekozen voor een aantal maatregelen om passend onderwijs te versterken. Maatregelen die zijn gericht op het organiseren van het onafhankelijk toezicht op de samenwerkingsverbanden en het verplicht beleggen van doorzettingsmacht. Daarnaast worden scholen die zich inzetten om leerlingen met een ondersteuningsbehoefte binnen het regulier onderwijs te houden, niet meer direct afgerekend op het effect dat deze inzet heeft op de resultaten van hun onderwijs. Ook hier zien we dus dat de overheid meer grip wil krijgen en lijkt aan te sturen op centralisatie van bevoegdheden. Het is in dat licht de vraag hoe lang de samenwerkingsverbanden zelf nog de gelegenheid krijgen om hun zaakjes op orde te krijgen voordat de overheid ingrijpt.

Meer of minder scholen?

Daar waar de regering schoolbesturen maant om de middelen doelmatiger te besteden, lijkt zij met haar beleidsvoornemens ten aanzien van krimp, kleine scholen en de vrijheid van onderwijs te laveren tussen de keuze voor meer of minder scholen.

Enerzijds wordt door het schrappen van de fusietoets bij krimpproblematiek gekoerst op schaalvergroting en anderzijds kiest het nieuwe kabinet ervoor extra geld beschikbaar te stellen om kleine scholen te faciliteren met de zogenaamde ‘kleinescholentoeslag’. Hierdoor wordt niet getornd aan de vrijheid van onderwijs van het traditionele bijzonder onderwijs. Het kabinet wil het stichten van scholen op basis van de belangstelling van ouders en leerlingen vereenvoudigen. Nieuwkomers op de scholenmarkt zullen wel worden getoetst op wettelijke deugdelijkheidseisen met betrekking tot onder andere de bestuurlijke inrichting en het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie. Hier is vast gedacht aan Islamitisch onderwijs.

Concluderend

Concluderend mogen we tevreden zijn over de onderwijsinhoudelijke keuzes van het kabinet met betrekking tot het versterken van de doorgaande lijn en de betere aansluiting tussen PO, VO en mbo. Op het terrein van de vrijheid van onderwijs en de wenselijkheid van levensvatbare scholen in krimpgebieden zie je de worsteling tussen de liberale en de confessionele partijen binnen de coalitie terug. Verder lijkt de trend van verdere centralisatie zich door te zetten, onder andere ten aanzien van passend onderwijs.

Ons onderwijs valt of staat met de kwaliteit van onze leraren. Voorlopig wordt vooral geïnvesteerd in salaris en werkdrukvermindering, maar ook weer in groeiende verantwoording. Of de invoering van het lerarenregister en de korting op het collegegeld van toekomstige leraren een doorslaggevende bijdrage gaan leveren aan de kwaliteit van leraren, is echt de vraag. Maar misschien willen we daarover eigenlijk ook wel niets lezen in het regeerakkoord en zijn leraren en hun werkgevers zelf de vormgevers van kwaliteitsrijk onderwijs dat ten dienste staat aan het leren van kinderen.

Heeft u een vraag? Neem gerust contact met ons op:

Hans van Willegen

algemeen directeur B&T

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.